418x bekeken

Joost de Kluijver, Karin van Ijsselmuide Thomas Leenders 22 mei 2019 in het NRC

Eerst een belangrijk cijfer. In ons land geven het bedrijfsleven en het kabinet samen jaarlijks zo’n 550 miljard euro uit aan inkoop. Dat gaat over toiletartikelen, maar ook over catering en infrastructuur. Van dit bedrag zou je heel Facebook kunnen kopen. In dit budget schuilt een enorme potentie om positieve impact te realiseren, mits het wordt uitgegeven aan de juiste ondernemers. Gelukkig is de overheid voornemens om een verschil te maken; zowel Sigrid Kaag als Stientje Velthoven halen vaak de SDG’s aan. Recent stelde het kabinet ons ook een circulair land in het vooruitzicht; in 2050 produceren we geen afval meer en is grondstof-schaarste iets van vroeger. Bedrijven zijn vaak minstens even ambitieus, partijen als Accenture, Google en DSM voeren nieuw beleid en zaten op de eerste rij in Davos. Toch ziet de praktijk er anders uit: nog te weinig van deze inkoopkracht komt terecht bij bedrijven die sociaal, maatschappelijk en duurzaam ondernemen. De reden? Inkopers laten kansen liggen.

De inkoper als wereldverbeteraar

De inkopers van overheid en bedrijfsleven kunnen het halve biljoen niet helemaal naar eigen inzicht uitgeven. Vaak, en al helemaal voor grote projecten zoals infrastructuur, zijn er jarenlange contracten met vaste leveranciers. Maar het wordt steeds duidelijker dat een koppeling tussen portemonnee en maatschappelijke doelen heel logisch is. En daarmee is de inkoper helemaal terug in de schijnwerpers. Zeker met tools zoals ‘Social Return’ – dit is vaak 5% van het inkoopbedrag, te besteden aan maatschappelijke verbetering – zijn er ineens miljarden te besteden. De inkoper wordt daarmee een wereldverbeteraar.